
De weg naar moderne tandheelkunde – afb. chatgpt
Tandheelkunde van prehistorie tot de 17e eeuw
De zorg voor tanden is bijna zo oud als de mens zelf. Al in de prehistorie werd er geboord in Pakistan. Er zijn geboorde kiezen gevonden, waarschijnlijk geboord met een boogboor.
In het oude Egypte, zo’n 5.000 jaar geleden, hielden mensen zich bezig met mondgezondheid. In een oude papyrus wordt zelfs al gesproken over tandziekten, en een hoge ambtenaar genaamd Hesi-Re wordt vaak de eerste tandarts genoemd.
Ook de Grieken en Romeinen waren met tanden bezig. Er werden tandprotheses gemaakt en er zijn aanwijzingen dat er kaakchirurgie werd bedreven. Hippocrates en Aristoteles schreven over het doorbreken van tanden en manieren om tandpijn of tandvleesproblemen te behandelen. Soms probeerden ze losse tanden vast te zetten met draad, of een gebroken kaak te spalken. De Etrusken maakten waarschijnlijk zelfs al kronen en bruggen.
Tijdens de middeleeuwen en daarna waren het vooral barbier-chirurgen die tanden trokken. Behandelen konden ze vaak niet, dus verwijderen was de standaard oplossing. In de 14e eeuw gebruikten ze hiervoor instrumenten als de ‘tandenpelikaan’ – een voorloper van de extractietang. Pas later kwamen er meer gespecialiseerde boeken en technieken.
Het eerste echte tandheelkundeboek verscheen in 1530 in Duitsland, en in diezelfde 16e eeuw schreef Ambroise Paré al uitgebreid over mondzorg.
Van de 17e tot de 20e eeuw: de tandheelkunde wordt modern
Tussen 1650 en 1800 ontwikkelde de tandheelkunde zich van een ambacht tot een moderne wetenschap. Een sleutelfiguur daarin was de Franse arts Pierre Fauchard (1679–1761), vaak de vader van de moderne tandheelkunde genoemd. Hij gebruikte protheses, vulde gaatjes bij tandbederf, verwijderde zieke pulpa en stelde als een van de eersten vast dat tandbederf veroorzaakt wordt door zuren die ontstaan uit suikers.
In dezelfde periode deed de Nederlander Antoni van Leeuwenhoek (1683) een bijzondere ontdekking: met zijn zelfgemaakte microscoop zag hij bacteriën in de tandplaque uit zijn eigen mond. Daarmee werd het onzichtbare leven in de mond voor het eerst zichtbaar gemaakt.
De innovaties volgden elkaar daarna snel op:
1746: Claude Mouton plaatst een gouden kroon en stelt voor om kronen van ivoor te maken voor een natuurlijker uiterlijk.
1760: John Baker, de eerste tandarts met een medische opleiding, vestigt zich in Engeland.
1780: William Addis maakt de eerste moderne tandenborstel.
1789: Nicolas Dubois verkrijgt patent op een porseleinen tand.
1790: John Greenwood ontwerpt een boor die met de voet wordt aangedreven (geïnspireerd door de naaimachine van zijn moeder), én in datzelfde jaar wordt de eerste tandartsstoel geïntroduceerd. In 1831 verschijnt de eerste ligstoel.
De 19e eeuw bracht opnieuw grote veranderingen:
1830: de gebroeders Crawcorn introduceren amalgaamvullingen in de VS, wat destijds veel controverse opriep.
1839: Charles Goodyear ontdekt vulkaniet (hard rubber), dat gebruikt wordt voor gebitsprotheses.
1844–1846: tandartsen Wells en Morton introduceren narcosemiddelen: lachgas en ether. Voor het eerst konden patiënten pijnloos behandeld worden.
1880: tandpasta in tubes wordt op de markt gebracht.
1884: cocaïne wordt gebruikt als lokale verdoving (later vervangen door procaïne, rond 1905).
1895: C. Edmond Kells maakt de eerste tandheelkundige röntgenfoto, waarmee het binnenste van tanden zichtbaar werd.
Ook de mondzorg als beroep professionaliseerde:
1913: de eerste opleiding voor mondhygiënisten start.
1914: in Nederland wordt de NMT (Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde, later KNMT) opgericht.
1930–1943: onderzoek door Frederick McKay toont aan dat fluoride in drinkwater zowel glazuurvlekken als minder cariës kan veroorzaken. Hij ontdekt welke dosis tandbederf voorkomt zonder vlekken te veroorzaken.
1962: introductie van composiet als vullingsmateriaal.
1967: oprichting van de NVM, de beroepsvereniging voor mondhygiënisten.
1970: Nederland en België besluiten af te zien van waterfluoridering; fluoride wordt sindsdien via tandarts en tandpasta toegepast.
1989: de YAG-laser vindt zijn weg naar de tandheelkundige praktijk.
In het begin van de 20e eeuw was de tandheelkunde nog zo duur dat sommige mensen ervoor kozen om al hun tanden te laten trekken om eventuele tandpijn te voorkomen. Het verwijderen van alle tanden werd cadeau gegeven voor een 21ste verjaardag of voor een trouwerij. In sommige provincies kwam dit nog voor in de jaren tachtig van de vorige eeuw.
(bronnen Wikipedia, DentalInfo, Express)
