Tandenjager van Auke Hulst is een weergaloze roman met het gebit als motief
Er zijn maar weinig romans waarin het gebit zo’n centrale rol speelt. Ivoren Wachters van Simon Vestdijk is een bekend voorbeeld, maar Tandenjager van Auke Hulst is zonder twijfel de spannendste.
In juni las ik Tandenjager in één adem uit. De stijl deed me denken aan Een Schitterend Gebrek van Arthur Japin, een van de indrukwekkendste romans die ik ken. Al snel was ik geboeid, mede door de manier waarop Hulst de waarde van tanden in de vroege negentiende eeuw tot thema maakt. Tanden waren toen niet alleen een symbool van schoonheid en status, maar ook een verdienmodel—soms op de meest extreme manieren.
In die periode stonden de tandheelkundige zorg en het beroep van tandarts nog in de kinderschoenen. Voor wie geïnteresseerd is in de geschiedenis van de mondzorg, bevat Tandenjager fascinerende elementen. Natuurlijk is het fictie, dus niet alles berust op feiten, maar juist dat spanningsveld maakt het boek bijzonder.
Mijn enthousiasme was zo groot dat ik in juli contact zocht met de auteur. Hij stemde in met een exclusief interview voor de website van De Lieve Tandarts. Op 27 augustus vond dit gesprek plaats.
Interview met Auke Hulst, 27-8-2025
JHN: Auke, hoe ontstond het idee voor Tandenjager?
Auke Hulst: Een paar jaar geleden schreef ik De Mitsukoshi Troostbaby Company, een enorm dik boek dat me mentaal en fysiek behoorlijk had gesloopt. Ik nam me voor om daarna een dunner, lichter boek te schrijven. Dat is niet gelukt – het werd uiteindelijk weer een groot project – maar dat was wel de bedoeling.
Ik kwam op het idee door een typisch stukje uitstelgedrag. Zoals zoveel mensen verdwaal ik vaak in YouTube-rabbit holes. Soms over muziek, soms over geschiedenis. Op een dag belandde ik bij een filmpje over de slag bij Waterloo. Daarin viel in een bijzin de term Waterloo-tanden. Dat intrigeerde me. Ik ben erin gedoken en al snel dacht ik: hier zit een verhaal. Aanvankelijk zag ik het voor me als een klein boekje van 150 pagina’s, maar het verhaal begon te woekeren. Tanden bleken een perfecte ingang om te schrijven over klassenverschillen, en daarmee groeide het uit tot een veel groter en zwaarder project.
JHN: Je bent ook zelf op onderzoek uitgegaan.
Auke Hulst: Ja, ik wilde niet alleen uit boeken putten. Voor sommige scènes ben ik echt op locatie geweest. Waterloo zelf heeft niet veel zin, dat slagveld is helemaal gemusealiseerd. Maar ik ben wel naar New York gegaan, naar het restaurant waar het laatste deel zich afspeelt – dat bestaat nog steeds. En ik ben in Suriname geweest.
Er zijn dingen die je niet uit boeken haalt: hoe ruikt de jungle? Hoe voelt het om daar alleen te slapen? Zulke zintuiglijke ervaringen wilde ik zelf meemaken, om geloofwaardigheid te bereiken.
JHN: Het woord tandenjager – bestaat dat eigenlijk?Auke Hulst: Nee, dat heb ik zelf verzonnen. In het Engels heet het bodysnatching – lijkenpikken dus. Ik wilde er een specifiek Nederlands woord voor. Misschien bestaat het wel ergens, maar ik ben het niet tegengekomen. Voor mij was het meteen een lekker woord, met ook nog eens een dubbele betekenis, gezien wat er in het boek gebeurt.
JHN: En heb je ook onderzoek gedaan naar de tandheelkunde uit die tijd?
Auke Hulst: Ja. Over tandenjagen zelf is weinig geschreven, maar over de geschiedenis van de tandheelkunde heel veel. De 18e eeuw was het begin van de wetenschappelijke tandheelkunde, en daar zijn veel boeken en illustraties over. Ik heb veel gehad aan The Excruciating History of Dentistry en The Smile Stealers. Daarin staan afbeeldingen van instrumenten, gebitten, en zelfs de beroemde Waterloo-tanden.
Ik wilde ook weten hoe een praktijk er destijds uitzag. Bijvoorbeeld: de tandartsstoel zoals wij die kennen bestond wel, maar was nog niet ingeburgerd. Vaak was de tandarts gewoon een barbier of een smid die tanden trok naast scheren en aderlaten. Het was een soort ‘package deal’.
JHN: Je noemde net de Waterloo-tanden. Was je in het British Dental Museum?
Auke Hulst: Dat wilde ik, maar het museum van de British Dental Association in Londen was tijdens mijn research dicht vanwege een verbouwing. Jammer, want daar liggen daadwerkelijk Waterloo-tanden. Gelukkig zijn er veel afbeeldingen beschikbaar.
JHN: Je beschrijft ook implantatie-experimenten. Heb je daar bronnen van gevonden?
Auke Hulst: Ja, in die tijd werd er veel geëxperimenteerd. Soms nam men een gezonde tand van een kind en plantte die in bij een rijk iemand. Die tanden bleven vaak maar een paar jaar zitten, want de zenuw hechtte niet opnieuw. De beroemde chirurg John Hunter deed zelfs een experiment waarbij hij een tand in de hanenkam van een haan plaatste – en dat lukte. Dat soort experimenten heb ik gebruikt, al heb ik er ook mijn eigen draai aan gegeven.
JHN: Je verwerkt ook horror in je boek. Waarom?
Auke Hulst: Voor mij draait De Tandenjager uiteindelijk om uitbuiting: hoe de ene klasse de andere als grondstof gebruikt. Tanden zijn daar een perfect symbool van. De horror versterkt dat en geeft het verhaal een symbolische lading. Natuurlijk is het spannend: sommige lezers vinden dat geweldig, anderen vinden het een stap te ver. Maar thematisch klopt het precies.
JHN: Je hebt ook een persoonlijke band met dit onderwerp.
Auke Hulst: Ja. Ik heb zelf een ingewikkelde relatie met mijn gebit. Ik kom uit een gezin dat na de vroege dood van mijn vader sociaal-economisch sterk is weggezakt. Mijn moeder was niet zo zorgzaam; we werden vaak niet naar de tandarts gebracht. In mijn tienerjaren ben ik helemaal niet geweest. Daarna durfde ik ook niet meer, tot ik een angsttandarts vond in Amsterdam. Sindsdien ga ik weer.
Dat persoonlijke gegeven resoneerde in dit boek. Ik weet uit eerste hand hoezeer tandzorg een klasseding kan zijn.
JHN: Tanden als symbool zie je ook nu nog terug, toch?
Auke Hulst: Absoluut. Tegenwoordig is er een enorme esthetische druk: bleken, facings, die perfecte Instagram-glimlach. Ik vind het eerlijk gezegd nogal patserig, een beetje nouveau riche. Het doet me denken aan autotune in muziek. Alles wordt gladgestreken, perfect, maar je verliest emotie. Als je altijd alleen maar zulke perfecte tanden ziet, lijkt elk ander gebit ineens slecht. Dat vind ik problematisch.
JHN: Denk je dat tanden ook macht en status uitstralen?
Auke Hulst: Zeker. Je kunt er begeerlijk mee zijn, status tonen, macht uitstralen. Maar het zegt ook iets over klasse en smaak. Net als bij auto’s: je kunt veel geld hebben, maar als je een protserige auto koopt, laat dat óók iets zien.
JHN: Je boek zit vol historische feiten, maar ook uitvindingen van jezelf. Bijvoorbeeld het personage Ashcroft.
Auke Hulst: Klopt, die heb ik zelf bedacht. Ik ben een enorme Beatles-fan en Ashcroft heeft een kantoor aan Savile Row – waar de Beatles hun beroemde dakconcert gaven. Ik had hem eerst zelfs op dat exacte adres gezet, maar dat was te doorzichtig. Uiteindelijk heb ik hem een paar deuren verderop gezet, als subtiele knipoog.
JHN: Wat hoop je dat lezers meenemen na het lezen van De Tandenjager?
Auke Hulst: Dat tanden meer zijn dan tanden. Ze zijn symbool voor status, macht, begeerte en klasse. En dat de geschiedenis van de tandheelkunde niet alleen over medische vooruitgang gaat, maar ook over ongelijkheid en uitbuiting.
September 2025, Jan Henk Nawijn

